De fanfare als orkestvorm

De enorme bijval die de amateuristische blaasmuziek in ons land gekend heeft, mag wel uniek genoemd worden. Het is niet lang geleden dat nagenoeg ieder dorp, wijk of gehucht één of meer harmonieën of fanfares telde. Hoe dit te verklaren? Dit lijkt van op afstand een vrij moeilijke opgave. Toch willen we enkele wellicht bepalende factoren aanstippen.

In de eerste plaats was er het enthousiasme van de gemeenschap; de amateuristische muziekvereniging bood in de 19e eeuw immers een welkome aanvulling voor de vele leemten op sociaal-cultureel gebied, ze was persoons- en gemeenschapsverrijkend, een vorm van permanente opvoeding “avant la lettre”. Bovendien waren de harmonieën en fanfares afgestemd op het levenspatroon van de toenmalige middenklasse(n) en de meer geëvolueerde arbeiders; zij vormden één van de weinige ontspanningsmogelijkheden in verenigingsverband die door de overheden en vooraanstaande burgers gestimuleerd werden.

Het repertoire van de harmonieën en fanfares bestond uit de 19e eeuwse succesmuziek; de amateuristische muziekverenigingen waren de enige kanalen die het publiek haar geliefkoosde deuntjes lieten horen en die een bepaalde muziek (bijvoorbeeld opera) populair maakten. Het muziekkorps vormde een onmisbaar element in het lokale gemeenschapsleven: geen feest, kermis, plechtigheid of (in)huldiging, of de blaasmuziekvereniging stond paraat. Met haar vrolijke of trieste tonen verklankte zij als het ware het plaatselijk maatschappelijke leven.

Ontstaan

De precieze oorsprong van onze amateur-muziekkorpsen is moeilijk te achterhalen. De meeste auteurs zijn het erover eens dat de bestaande militaire muziekkapellen bij de burgerlijke bevolking de aanstoot zouden hebben gegeven tot het oprichten van soortgelijke korpsen, waaruit dan onze hedendaagse harmonie- en fanfareorkesten zouden voortgesproten zijn. Zowel bezetting als repertoire werden van de kapellen overgenomen. Doch er waren ook diepere wortels: iedere stad telde sinds de middeleeuwen professionele en semi-professionele stadsmuzikanten, er waren de muziekafdelingen van de rederijkerskamers, er waren (kerkelijke) zangkoren, de hoboïstenkorpsen, anderzijds de collegia musica, de “Academies Musicales”, de kamermuziekgezelschappen. Al deze vormen van vereniging rond de muziek hebben ergens raakpunten gehad met wat wij sinds het begin van de 19e eeuw verstaan onder “Harmonie” en later ook onder “Fanfare”.

De oudste harmonieën dateren van vóór 1800. Na 1850 kwam de fanfare in de belangstelling. Uiteraard heeft A.Sax door de uitvinding van zijn instrumenten hieraan een grote impuls gegeven. De grote periode van opkomst en bloei van de fanfares ligt tussen 1870-1880. Het is de periode van de prestigieuze Brusselse fanfares. Namen als de “Cercle Meijerbeer”, “Cercle Instrumental”, “Phalange Artistique” en “Union des Fanfares” klinken bij enkelen nog bekend in de oren. Deze fanfares hadden zowel in binnen- als buitenland een grote faam. Adolf Sax bracht met zijn instrumenten een omwenteling teweeg in denken over en beoordelen van klankmogelijkheden en zelfs in het normeren hiervan. Er ontstond een nieuwe norm, een nieuw klankideaal, waarover dadelijk meer.

Over de bezetting van harmonieën en fanfares in de geschiedenis

Er zijn al vóór de Franse revolutie aanwijzingen dat militaire kapellen het ontstaan van amateur-muziekensembles van een zelfde bezetting stimuleerden. Ten tweede wordt ook de Franse revolutie zelf beschouwd als een belangrijke factor van de verspreiding van openluchtmusea voor blazers, zowel voor militaire als voor burgerlijke ensembles.Harmonieën ontstaan wanneer ensembles voor marsmuziek met fluiten en trommelaars, en signaalinstrumenten als trompetten, versmolten worden met hoboïstenkorpsen, dat wil zeggen ensembles voor hobo’s en fagotten. Dit gebeurt geleidelijk aan in de tweede helft van de 18e eeuw. Nog in 1762 bestond een Frans hoboïstenkorps uit 2 hobo’s, 2 klarinetten, 2 hoorns en 2 fagotten maar tijdens de Franse revolutie bereikt het Conservatoriumorkest dat ter beschikking moest staan van grote plechtigheden de volgende bezetting: 10 fluiten, 30 klarinetten, 4 trompetten, 12 hoorns (6 eerste, 6 tweede), 3 trombones, 2 tubae curvae (nabootsing van Romeinse gebogen trompetten), 2 Buccines (trombone met drakenkop), 18 fagotten, 8 serpenten, slagwerk.

Ook de “Turkse Muziek of Janitsarenmuziek” vindt men op het einde van de 18e eeuw in harmoniebezettingen terug, vooral dan in de Duitse en de Oostenrijkse. Met “Janitsarenmuziek” wordt een uit de Arabische wereld overgenomen percussiegroep bedoeld bestaande uit trommels, cimbaal, grote trom, triangel en schellenboom. De halve maan in de top van vele schellenbomen verwijst naar zijn oorsprong.

Omstreeks 1800 bereikt de bezetting van de harmonieën een eerste evenwichtstoestand

Ventielsystemen

Tussen 1811 en 1818 worden de eerste ventielsystemen ontwikkeld in Silezië door Stoelzel en Blühmel. Onafhankelijk van elkaar vinden zij de druktoetsventielen, die zij in 1818 samen laten patenteren. Blühmel was ook de eerste ontwerper van de draaiende ventielen en van de pompventielen, die later als “Berliner Pumpen” bekend zullen worden. Hoewel deze ventielsystemen bepalend zullen zijn voor het verdere gebruik van koperen blaasinstrumenten, mag men daaruit echter niet afleiden dat ventielinstrumenten vanaf 1820 al in harmonieën en fanfares zouden zijn ingevoerd. Die eer was voor de klephoorns en de oficleïden weggelegd. Klephoorns waren een vinding van Joseph Halliday uit 1810 en de oficleïden werd in 1821 gepatenteerd door Jean-Hilaire Asté, alias Halary. Het alttype werd Quinticlave genoemd. Al in de jaren twintig gebruikten bepaalde afdelingen van de Nederlandse Infanterie klephoorns. De Belgische regimenten hadden klephoorns en alt- en basoficleïden vrijwel vanaf hun ontstaan. Klephoorns zijn in staat een toonladder in het discantregister te spelen: zij kregen de melodie toegewezen. Altoficleïden speelden vaak parallel met de eerste fagotten, basoficleïden speelden vaak parallel met de tweede fagotten, basoficleïden verstevigden de baspartij.

De eerste fanfares ontstonden als uitbreiding van de cavalerieregiment muzieken. Al ten tijde van de het Franse keizerrijk waren fanfarebezettingen bekend. Een cavaleriefanfare ca. 1805 omvatte 16 trompetten, 6 hoorns en 3 trombones.

Na de Napoleontische oorlogen wordt daar de klephoorn of Kent Horn aan toegevoegd. Zo hadden de Pruisische jagers en cavalerieregimenten in 1818 een bezetting met Kent Horns, trompetten, hoorns en trombones. De trombones fungeerden duidelijk ook als vulstemmen en werden in het alt-, tenor- en basregister gebruikt. In 1824 beschikten ook de Nederlandse cavaleriemuziekkorpsen over klephoorns, trompetten, bashoorns (“tuba’s”) en trombones. Bij de fanfare, die toen ook “Musique de Cuivre” werd genoemd, was de hoofdmelodie voor de klephoorns gereserveerd. Samen met de oficleïden waren zij de enige nieuwe instrumenten die, althans in de Benelux en Frankrijk, effectief de bezetting van fanfares in de loop der jaren twintig determineerden.

Opvullen van het middenregister

Het opvullen van het middenregister en het homogeen maken van het timbre over een omvang van meerdere registers door de invoering van een familie gelijksoortige ventielinstrumenten gebeurde het eerst in Duitsland. Stoelzel beweerde dat hij in de periode volgend op het nemen van een patent met Blühmel (in 1818) alt-, tenor- en bastrompetten bouwde.

Basinstrumenten

De bas uit de door Stoelzel gebouwde familie werd vervangen door de Weense bombardontype met een meer conisch verloop dan de instrumenten van toelzel, en met breder mensuur en Wiener ventielen. Het Brusselse museum bezit er meerdere van. De definitieve stap in de richting van een sonoor klinkende bas werd echter door Wieprecht en Moritz gezet met hun bastuba uit 1835.

De invloed van Adolphe Sax

De belangrijkste bijdrage tot de vorming van families van nieuwe instrumenten om onder andere het middenregister op te vullen kwam van Adolphe Sax. Sax ging zich in 1842 in Parijs vestigen op verzoek van luitenant-generaal de Rumigny. Deze man wou de militaire muziekkapellen in Frankrijk meer allure geven en vond in Sax een gelijkgezinde die bovendien zijn ideeën in de praktijk kon omzetten. De bijdrage van Adolphe Sax aan de bezetting van harmonieën en fanfares bleef echter niet beperkt tot ventielinstrumenten, zoals saxhoorns, saxtuba’s en saxotromba’s. Door het invoeren van een familie van saxofoons, creëerde hij zelfs een compleet nieuwe klankmogelijkheid. Het was de expliciete bedoeling van Sax om door middel van saxofoons een tegenhanger te maken voor de strijkers, maar dan in de bezetting voor openluchtmuziekensembles. In het patent van de saxofoon vermeldt hij dat het in zijn bedoeling lag om een instrument te maken “qui par le caractère de sa voix pût se rapprocher des instruments ? cordes, mais qui possédât plus de force et d’intensité que ces derniers”.

Saxhoorns en saxofoons moeten in de loop der jaren vijftig zeker hun weg gevonden hebben naar harmonieën en fanfares. Andries vermeldt in zijn “Aperçu théorique de tous les instruments de musique” van 1856 de hele reeks van traditionele houten en koperen blaasinstrumenten en wijdt een hoofdstuk apart aan de saxinstrumenten. Hij kent ze dus, maar weet blijkbaar niet goed hoe ze te integreren. Hetzelfde doet Gevaert in zijn “Traite d’instrumentation” van 1863. Van de saxofoons zegt hij echter: “La propagations de cet instrument améliorerait de beaucoup la musique d’Harmonie où il tiendrait avantageusement les parties intermédiaires. Mais en aucun cas le Saxophone ne aurait remplacer la brillante et éner-gique clarinette”. Gevaert, die overigens niet tot de meest progressieve componisten van zijn tijd behoort, kent voor de saxofoon geen rol toe in fanfares. Ook Jules Emile Strauwen, dirigent van de vermaarde fanfare “Phalange Royale Artistique” te Brussel wilde van geen saxofoons weten. Hij gaf de voorkeur aan de zuivere koperklank, samengesteld alleen uit instrumenten met rond embouchure.

Naar een homogene, volle klank

Wel beschouwd heeft zich in midden en na de helft van de vorige eeuw een nieuw klankideaal gevormd, waarbij een edele volle koperklank, sonoor van totaalindruk als belangrijkste karakteristiek kan gelden. Musiceren in de buitenlucht met de vergelijkbare klankmogelijkheden van het symfonieorkest (binnenshuis) werd door het homogeniseren van registers nagestreefd. De fanfare kwam meer en meer in de belangstelling, ook al vanwege het gegeven dat de koperen blaasinstrumenten en ook de saxofoons gemakkelijker en sneller bespeelbaar waren geworden. Zelfs door de minder geoefende handen der amateurs konden echte melodieën worden gespeeld. Men moet zich – verplaatsend in de tijd van ca. 1850 – voorstellen dat men in die tijd vooruitstrevend was, wanneer men aan het nieuwe homogene klankideaal van de nieuwe instrumenten voorkeur gaf. Er was sprake van een krachtiger en voller geluid en dit moet op de mensen van die tijd een enorme indruk hebben gemaakt. Veel harmonieën in Engeland werden in deze tijd omgebouwd tot koperorkesten.

Met alle respect voor de waardering die men voor de praktische bruikbaarheid van de fanfares speciaal in de openlucht kon opbrengen, toch schuilt in de overwaardering van een sonore, homogene, krachtige fanfareklank, die toen ontstond een eenzijdigheid, die de ontwikkeling en uitgroei van de fanfare in de hoogte heeft verhinderd. Men had in die dagen niet zoveel oor meer voor de nuancering- en timbremogelijkheden van de andere blaasinstrumenten.

Toch werd de saxofoon, omdat hij voldeed aan het nieuwe ideaal van een grote klank zelfs in de buitenlucht en eenvoud van speelwijze – in onze streken aan de fanfare toegevoegd hoewel het in wezen een rietblaasinstrument is en dus tot de houten blaasinstrumenten gerekend kan worden.

In die historische tijden, zo vernemen we uit verschillende bronnen – is de neiging aanwezig om het nieuwe klankideaal zó te koesteren dat men voor de schoonheid van andere meer gedifferentieerde klankmogelijkheden geen oor meer had. In Engeland leidt dit tot de brassband. Ook in Vlaanderen is de extreme kopervorm aanwezig. Fétis sprak over een “Musique de cuivre”. In Frankrijk, België en Nederland ontstaan verder de fanfares met saxofoons.

In Duitsland en andere Duitstalige landen worden geen saxofoons gebruikt en worden in de koperensembles in de hoge stemmen klarinetten gebruikt.

Ook wordt bij bestudering van oude bronnen duidelijk dat er sprake was van een oneindige variëteit van bezettingsmogelijkheden, waaruit zich slechts zeer geleidelijk de twee typen blaasorkesten hebben ontwikkeld. Dat ook musici van naam in de blaasmuziek duidelijk voorkeur uitspreken voor de nieuwe klank moge bijvoorbeeld ook blijken uit wat de toenmalige militaire kapelmeester Josef Sawerthal (1845) opmerkt over zijn bezoek aan enkele regimentskapellen in Oostenrijk en Hongarije. In het bijzonder het verdwijnen van de fagot en hiervoor in de plaats een tuba of bariton heeft zijn volle goedkeuring. Letterlijk zegt hij: “Der Vortheil ist ein unverkennbarer, denn im Freien tönen die Posau-nen und überhaupt die Blech-Instrumente so mächtig, besonders in Ensemblestücken und Märschen und nicht vier Fagotts erreichen die Fülle eines kräftigen Barytons oder Euphoniums. Unsere Contrafagotte sind ein schnarrendes Uebel; der volle runde, weiche Bombardon ist, gut geblasen, für die Militärmusik der schönste Bass und stellt den breiten schnarrenden unverständlichen Contrafagott bei weitem in den Hintergrund…”

Over de bezetting van een muziekkorps van een “Feldjägerbataillon” merkt hij op: “und daher die leute eher zu Instrumenten verwendet werden sollen, die mehr ausgeben und deren Kraft eine bedeutendere is”. In de veertiger jaren van de vorige eeuw was een Jägerbatail-lons-muziek-korps altijd ongeveer als volgt bezet: 1 hohe Metallklarinette 1-2 Cornets (pistons) 4-5 Flügelhörner 2-3 Bassflügelhörner 1 Euphonium 4 Waldhörner 7-8 Trompeten 3 Posaunen 2-3 Bass-instrumenten (Ophicleïden und Bombardons).

In Engeland was er omstreeks 1850 evenals in andere Europese landen een duidelijke behoefte aan standaardisering en uniformering van de bezetting van blazerkorpsen. Evenals dit op het vasteland het geval was, bleek de familie van Saxinstrumenten deze behoefte te bevredigen. De eerder gebruikte houten blaasinstrumenten in de al langer bestaande harmonieën verdwenen en men kwalificeerde het nieuwe klankpatroon boven dat van de bestaande “reed-bands”. Dit is de periode dat men ook in Engeland hoe langer hoe meer werd geporteerd voor een “all-brass band”.

Het is ongetwijfeld van een niet te overschatten betekenis geweest dat Adolf Sax zijn uitvinding bracht in een periode, dat er feitelijk koortsachtig werd gezocht naar meer mogelijkheden voor de geblazen muziek. Overal was men dan ook zeer enthousiast over de resultaten van zijn nieuwe vinding. Door zijn doeltreffende aanpak bij demonstraties van de instrumenten welke hij door de toentertijd vermaarde gebroeders Distin liet doen, gaven muzikanten zich al spoedig gewonnen. Wij lezen hierover in “Brass Bands in the 20th Century” door Violet and Geoffrey Brand, dat de grote industriële tentoonstelling van 1851 in Chrystal Palace, Hyde Park de stoot gaf om definitief te kiezen voor de nieuwe instrumenten. De “Illustrated London News” schreef in 1851 het volgende: “The show of brass instruments in the French department is exceedingly good … First and formost among the exhibitors is M.Adolphe Sax, of Paris well Known in England an the Continent as the inventor and manufacturer of Sax horns, so beautifully played bij Messrs. Distin” (August 23, 1851). Toen de Mossley Band in 1853 bij een van de eerste concoursen in Belle Vue, Manchester met een complete serie van Saxinstrumenten won, was dit aanleiding om overal in Engeland definitief over te gaan op de nieuwe koperinstrumenten.

Op het vasteland van Europa heeft ook Victor Charles Mahillon invloed op de standaardisering van de harmonieën en fanfares. In 1884 wordt er een hervormingsvoorstel gedaan voor militaire muziekkapellen, waaraan ook V.C.Mahillon meewerkte. In 1894 wordt de definitieve bezetting vastgesteld in België. In het voorstel komen de saxofoons in de fanfare wel voor. In de definitieve bezetting zijn ze facultatief, waaruit blijkt dat het klankideaal van de zuivere koperfanfare nog een belangrijke invloed had op het denken over bezettingen. Gabriël Parès geeft in 1897 in zijn “Traité d’instrumentation et d’orchestration” dezelfde standaardbezetting als Mahillon aan. Voor de fanfare betekent dit met saxofoons. De fanfares zijn hiermee aan een eindpunt van evolutie gekomen voor wat betreft de bezetting.